Dagvlinders in Fryslân, veranderingen vastgelegd

In 2021 verscheen het boek Dagvlinders in Fryslân, veranderingen vastgelegd

Hier vind je het hoofdstuk over de argusvlinder – geschreven door Abel Jagersma. Lees vooral de aanbevelingen voor het beheer.

Vlinderwerkgroep Friesland.
ISBN 9789090343990
Bestellen kan hier

Meer informatie:
www.vlinderwerkgroepfriesland.nl

ARGUSVLINDER / Argusflinter
Lasiommata megera

Bijzonderheden
De argusvlinder is een middelgrote algemene standvlinder. De grondkleur van de vleugels is bij zowel mannetje als vrouwtje oranje. Over de bovenkant van de voorvleugel lopen donkere lijnen en banden en in het oranje veld van de vleugelpunt bevindt zich een zwarte oogvlek met een witte kern. Op de bovenkant van de achtervleugel bevinden zich vier soortgelijke oogvlekken in het oranje veld. Het mannetje onderscheidt zich van het vrouwtje door een brede bruinzwarte geurstreep op de bovenkant van de voorvleugel. Het mannetje duldt geen soortgenoten in zijn territorium. Hij patrouilleert langs een vaste route binnen zijn territorium om een vrouwtje te vinden of zit op een vast punt, vaak een open zonnige plek en wacht daar op een langsvliegend vrouwtje. De argusvlinder vliegt in twee generaties. De eerste tussen midden mei en midden juni en de tweede tussen eind juli en eind augustus. Soms is er een derde partiële generatie.

Leefgebied en biologie
De argusvlinder heeft een voorkeur voor vochtige tot vrij droge, niet te voedselarme, bloemrijke graslanden. Belangrijk is dat er naast lage vegetaties en kruidenrijke ruigtes ook kale grond is om op te warmen en uit te rusten. Goede biotopen zijn wegbermen, slootkanten en dijken. De argusvlinder heeft een vrij grote behoefte aan nectar.

De soort ontbreekt daarom in gebieden met een te schrale vegetatie. Zowel monotone weilanden en akkers als donkere bossen worden gemeden. De vlinder foerageert veel op gele composieten zoals paardenbloem, akkermelkdistel, schermhavikskruid en gewoon biggenkruid. Daarnaast bezoekt hij nog vele andere plantensoorten zoals kattenstaart. In dorpen en steden is de argusvlinder ook aan te treffen op cultuurplanten zoals de vlinderstruik en herfstaster. De Nederlandse lijst met nectarplanten omvat in totaal 97 soorten.

Het vrouwtje zet de eitjes af op overblijvende grassen zoals kropaar, ruwe smele, beemdgrassen en kweek. Zij kiest luwe warme plekken uit in de buurt van kale grond of hekpalen. De eitjes worden afzonderlijk afgezet. De halfvolwassen rupsen van de laatste generatie overwinteren vlakbij de bodem tussen verdorde planten, stenen en struiken. Op zachte winterdagen gaan de rupsen eten. De pop hangt meestal aan de onderkant van een blad van de waardplant.

Veranderingen
Graslandvlinders, waaronder de argusvlinder, hebben het zwaar in Nederland. Het areaal aan bloemrijke, halfnatuurlijke graslanden is in de laatste decennia fors gekrompen. Dit soort terreinen vind je vrijwel alleen nog in natuurgebieden. Op de meeste agrarische percelen hebben graslandvlinders niets meer te zoeken, omdat daar voor dergelijke vlindersoorten en hun rupsen geen waard- en nectarplanten meer te vinden zijn en er een te intensief beheer plaatsvindt. In die gebieden zijn ze aangewezen op bermen. Landelijk gezien gaat het van de 13 soorten graslandvlinders met de argusvlinder het slechtst. In Fryslân gaat de soort qua aantallen op geschikte locaties de laatste jaren ook achteruit. Wel wordt de soort in meer kilometerhokken gezien. Dat geldt met name voor de IJsselmeer- en Waddenkust en voor Ameland. Opvallend is ook de concentratie aan de noord- en zuidkant van het Heegermeer en de Fluessen.

Mogelijkheden voor verbetering van het beheer
In Midden-Fryslân is drie jaar lang onderzoek gedaan naar beheermaatregelen voor insecten in agrarisch gebied. Bij dit onderzoek heeft de argusvlinder onder de noemer “Keningin fan ‘e Greide” gefungeerd als icoonsoort van het project. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat maatregelen als het gefaseerd maaien van slootkanten en het aanleggen van kruidenrijke randen een gunstig effect hebben op de stand van graslandvlinders. Ook het hoog maaien rond hekjes en palen is belangrijk, omdat daarmee de groei van brandnetels en dergelijke rond de hekken wordt voorkomen en eitjes en rupsen van de argusvlinder worden gespaard. Ook bieden deze plekken bescherming tegen de wind in het open gebied en zijn daardoor aantrekkelijk voor de argusvlinder. Voor de overleving van eitjes en rupsen in wegbermen en groenstroken is gefaseerd maaien een belangrijke factor.

© 2021 Vlinderwerkgroep Friesland